De grenzeloze stad

Detail1

22 sep De grenzeloze stad

Naar een landelijke strategie voor levendige steden.

FdVGroBlogs #1: Frank de Vries, adviseur verbonden aan Berenschot BV en oud-wethouder van Groningen.

De stad bloeit. Er is een onmiskenbare beweging richting stedelijke agglomeraties. In heel Europa trekken jonge mensen er naar toe. Ook in Nederland. Op het eerste gezicht dus alle reden om optimistisch te zijn over de toekomst van de stad. Maar schijn bedriegt. Ook hier.

Nederlandse steden hebben decennialang consequent gewerkt aan verbetering van het stedelijk milieu. Binnensteden kregen een impuls door investeringen in (culturele) voorzieningen en nieuwe publieke ruimte. Er vonden op tal van plekken succesvolle investeringen plaats ten behoeve van de bereikbaarheid bijvoorbeeld door middel van lightrail systemen. En uiteraard zijn er in veel steden flinke sprongen gemaakt bij de aanpak van de stads- en wijkvernieuwing. Er is aantoonbaar sprake van verbetering in de leefbaarheid van buurten en wijken.

Steden hebben deze schaalsprongen kunnen maken omdat zij op verschillende manieren stevige steun kregen van het Rijk, maar ook omdat zij op lokaal niveau een beroep konden doen op betrouwbare partners zoals corporaties. De werkelijkheid is nu volkomen anders. Om het huidige optimisme over ‘de stad’ toekomstvast te maken, zijn nu slimme strategieën nodig. Die vragen van de steden zelf, maar ook van het Rijk een heldere visie op de kracht van steden en bestuurlijke moed om een agenda voor de steden ook daadwerkelijk te maken. Na jaren van nogal onthutsende bestuurlijke stilte, lijkt men in Den Haag inmiddels het belang hiervan in te zien. Het kabinet kondigt in de rijksbegroting een nieuw stedenbeleid aan en zegt te willen werken aan een ‘Agenda Stad’. Wat zouden de ingrediënten hiervoor kunnen zijn?

Strategieën

Een eerste bron van strategische inspiratie ligt in Europa. Het Europese beleid is stevig gestoeld op het uitgangspunt dat de meeste economische groei plaatsvindt in de middelgrootte Europese stedelijke centra. De nieuwe Europese 2020-strategie zet dan ook in op versterking van de economische betekenis van steden. Het ligt dan ook volkomen voor de hand die Europese agenda gericht te omarmen. Dat zorgt niet alleen voor een positieve energie, maar ook voor maximale toegang tot Europese middelen.

Europa brengt ons nog iets anders. Stedenbeleid is volgens Europa vooral regionaal beleid. In de regio’s liggen de grootste kansen en uitdagingen voor verduurzaming van de economie en voor innovatie en werkgelegenheid. We zouden dan ook de Nederlandse stad consequenter moeten definiëren in een regionale context. Dat biedt kansen op tal van terreinen. Juist voor steden met een dergelijke centrumfunctie verhoogt een dergelijke schaalsprong de bestuurlijke slagkracht enorm. Maar daar moet dan wel tegen over staan dat de provincies in deze centrumsteden een forse stap terug doen onder andere op het terrein van ruimtelijke ordening. Meer stad en minder provincie dus!

Een volgende strategie die kan bijdragen om ‘de stad’ blijvend het volle pond te geven, richt zich op de financiële zijde van het stadsbestuur. Nederlandse steden hebben het nu financieel zwaar. Opbrengsten uit grondbedrijven zijn verdwenen. Afwaardering op grond en vastgoed aan de orde van de dag. Bovendien zijn rijksmiddelen voor stedelijke investeringen vrijwel verdampt en ligt er een enorme verzwaring van het takenpakket in het sociale domein. Al met al is sprake van een nogal giftige cocktail, die ‘in the long run’ zonder meer tot problemen leidt. Het is daarom nodig het vermogen van steden te vergroten om op autonome basis geldmiddelen te verwerven. Dit kan bijvoorbeeld door het belastinggebied van gemeenten aanzienlijk uit te breiden. Een andere mogelijkheid is om bij herijking van de rol van de provincie in stedelijk gebied, de nu bestaande belastingcapaciteit van provincies toe te kennen aan de (centrum)steden nieuwe stijl. En tot slot is het de moeite waard om te onderzoeken in welke mate gemeenten zelf kunnen optreden als financier of borgsteller van lokale initiatieven. De Bank Nederlandse Gemeenten zou hier een rol in kunnen vervullen. Voor al deze maatregelen is nieuwe wetgeving nodig en bovenal moed en creativiteit op Haagse departementen.

De revival van de stad

Deze nieuwe geldbronnen dragen op twee manieren bij aan versterking van het lokaal bestuur. In de eerste plaats ontstaat op lokaal niveau een verscherpt publiek debat over de kosten en baten van de eigen gemeenschap. Dat is winst. In de tweede plaats kan op die manier ook reële financiële ruimte ontstaan om de stad te blijven opbouwen als een ongedeelde stad, waar iedereen wil en kan wonen en leven. Zonder een nieuwe investeringsimpuls is dat niet een vanzelfsprekend gegeven. Zoals Arthur Claassen (in Het Parool van 8 augustus) terecht opmerkte, dreigen steden hun identiteit te verliezen door de opkomst van een tamelijk dominante monocultuur van hoger opgeleiden. Hierdoor ontstaan in binnenstedelijk gebied weliswaar bruikbare dynamiek, maar dreigt ook de aandacht voor andersoortige groepen te verdwijnen. Er is op stedelijk niveau behoefte aan financiële instrumenten en daarmee samenhangende beleidskeuzes die dit type groei ten goede kunnen laten komen van noodzakelijke investeringskracht elders. Steden zijn nu onvoldoende in staat zelf zorg te dragen voor deze noodzakelijke vormen van maatschappelijke verevening.

De genoemde ‘revival’ van het stedelijk leven biedt uiteraard ook kansen. Er ligt voor veel stadsbesturen een prachtige uitdaging om vanuit de aantrekkingskracht van de stad te werken aan een nieuwe, op burgerschap gebaseerde, stedelijke agenda. Veel mensen, ook uit nieuwere generaties, zijn bereid op eigen wijze tijd en energie te steken in hun woon- en leefomgeving. De lokale stedelijke overheid dient daarvoor op verschillende manieren ruimte te maken. Dat vraagt om een fundamenteel andere manier van besturen, andersoortige regelgeving en bovenal nieuwe vaardigheden van lokale ambtenaren. En dat gaat niet zonder slag of stoot. De lokale overheid zal een scherper oog en oor moeten hebben om economische initiatieven uit de samenleving een kans te geven. Zo’n nieuwe rol is overigens niet een kwestie van alleen maar ‘luisteren naar de burger’ of een houding van ‘u vraagt wij draaien’. Integendeel, het vraagt van diezelfde overheid uitdrukkelijk een opvatting om stedelijke problematiek, zoals de verschillen in leefstijlen, inkomen en achtergrond zichtbaar te maken en te benoemen. En dat gaat niet zonder visie.

De stad ‘van straks’ schreeuwt om aandacht. Er is behoefte aan nieuwe invalshoeken bij het doorgronden van de stad als maatschappelijk verschijnsel. Een aantal mogelijke ingrediënten daarvoor is hierboven beschreven. Het valt te hopen dat de aangekondigde ‘Agenda Stad’ de opmaat vormt voor baanbrekende voorstellen. Aan de spreekwoordelijke oude wijn in nieuwe zakken is geen behoefte. Belangrijk is natuurlijk ook dat steden zelf, hun bestuurders en bewoners, gebruik willen maken van de kennis, de opvattingen en de energie die de stad zelf biedt. Zonder nieuwe impulsen is de actuele bloei van onze steden geen blijvend gegeven.

 

 

Twitter uw reactie met #GroBlogs.

Volgende week in GroBlogs schrijft de Maatschappij voor Innovatie van Economie en Samenleving over de toekomst van Groningen als sociaal-economische proeftuin.

 

1Reactie
  • GroBlogs : Urban.Gro.Lab
    Geplaatst op 08:55h, 22 september

    […] 22 september: Frank de Vries, adviseur en consultant verbonden aan Berenschot BV en oud-wethouder van Groningen, zal de serie openen met een verkenning van nieuwe strategieën voor het behoud van levendige steden. LinkedIn. […]